OIJEN EN TEEFFELEN

Oijen en Teeffelen

De gemeente Oijen en Teeffelen, 1.382 ha groot, lag in het noordoosten van Noord-Brabant. Aan drie kanten stroomde de Maas erlangs en aan de landzijde grensde ze aan de gemeenten Lithoijen, Oss en Megen c.a..

De gemeente ontstond in de Franse Tijd door samenvoeging van het Gelderse Oijen en het Megense Teeffelen. Op 20 september 1814 werd Oijen weer Brabants en sinds 1939 maakt het met Teeffelen deel uit van de gemeente Lith. Op 1 januari 2011 werd de gemeente Lith opgeheven en werden Oijen en Teeffelen toegevoegd aan de gemeente Oss.

 Oijen-Teeffelen

De naam
Plaatsnamen met ‘ooi’ en ‘aai’ zijn talrijk in het rivierengebied. Letterlijk betekenen ze: bij het water gelegen. Vaak liggen deze plaatsen in of bij een bocht in de rivier. In het Brabantse Oijen zijn deze kenmerken duidelijk aanwezig. Het dorp wordt zelfs voor driekwart omspoeld door de Maas. Ook de naam ‘Teeffelen’, in het dialect ‘Teffelen’, heeft een natte oorsprong: ‘effa’ is water. “Teeffelen” is dus letterlijk “bij het water”.

Gemeentewapen

Wapen_oijen-en-teeffelen

Op 20 juli 1816 kreeg de gemeente Oijen en Teeffelen een gemeentewapen toegekend met de volgende omschrijving: Van lazuur (=blauw), beladen met 2 klimmende geaffronteerde (=naar elkaar toegewende) leeuwen, gescheiden door een paal; het wapen gedekt met het borstbeeld van een gemijterde bisschop, houdende een palm in de regter en den bisschopsstaf in de linkerhand,

sint-servaas

Dit wapen combineert het wapen van de hertogen van Gelre uit het huis Gulik, maar dan in de rijkskleuren, en de parochieheilige, St. Servaas, eigenlijk zoals de oude schependomszegels van Oijen dat altijd gedaan hadden.

Het gemeentestempel uit de 19e eeuw laat zelfs alleen maar de H. Servaas zien, met kromstaf in de ene en een sleutel in de andere hand. Ook de ambtsketen van de burgemeester liet alleen maar Servaas zien. De palmtak in het wapendiploma moet op een vergissing berusten van degene die de ontwerptekening heeft gemaakt.

Oudste bewoning en ontwikkeling
De Brabantse Maaskant heeft vanouds sterke banden met machtige kerkelijke instellingen in het zuiden, zoals het Lambertuskapittel uit Luik, de Remigiusabdij uit Reims en de abdij van Sint-Truiden. Oijen had te maken met het kapittel van Sint-Servaas in Maastricht. Dat kapitel had in 1062 de “villa Oya” ofwel het domein Oijen in zijn bezit. In 1139 bestond er al een Oijense kerk, toegewijd aan Sint-Servaas.

Landgoederen en kerk kwamen in 1361 door verkoop aan Maria van Brabant, de vrouw van hertog Reinoud III van Gelre. Zij gaf in datzelfde jaar opdracht tot de bouw van een kasteel, liet munten slaan (illegaal!) en tol heffen op de Maas. Na haar overlijden in 1399 werden heerlijkheid en kasteel Gelders.

Naar de kerk of niet (en welke dan)
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) kwam Gelre, en dus ook Oijen, onder het Staatse gezag, terwijl het naburige Brabantse en Megense gebied nog onder de Spaanse koning bleven. De openbare uitoefening van de katholieke godsdienst werd in het Staatse gebied verboden en de Oijense kerk ging over naar de protestanten. Op den duur gebeurde hetzelfde in het kwartier Maasland van de Meierij van ’s-Hertogenbosch, maar niet in het graafschap Megen. Daar bleef de positie van het katholicisme onaangetast.

In het graafschap Megen lag ook het dorpje Teeffelen, redelijk hoog op een zandopduiking. Archeologische vondsten wijzen dan ook op een vrij continue bewoning sinds de IJzertijd. Kerkelijk hoorde Teeffelen bij Oijen, maar in de vijftiende eeuw had het dorp al wel een kapel, toegewijd aan de H. Antonius. Deze werd na de Elisabethsvloed van 1421 in gebruik genomen als parochiekerk en kreeg als patroon de H. Benedictus.

In de jaren 1657-1661 werd het gebouw vernieuwd en vergroot tot de huidige omvang. Hier gingen de katholieke Oijenaren in de zeventiende en achttiende eeuw een tijdlang naar de kerk. Pas in 1712 kwam er in Oijen een schuurkerk, mogelijk aan de Vlierstraat ter hoogte van de veerstoep.

1672 kennen we in Nederland als het Rampjaar. Dat gold zeker ook voor Oijen. Op 27 maart van dat jaar brandde onder andere het huis van secretaris Devenijns af. Deze bewaarde het dorpsarchief thuis en dat bleek fataal: alle stukken, ouder dan 1672, zijn verbrand. Het huis van Devenijns stond vermoedelijk in de Hamstrastraat, die ook wel – niet toevallig – de ‘verbrande straat’ wordt genoemd.

Minolta DSC

Minolta DSC

Het ontbreken van bewijsstukken leverde veel problemen op toen op grond van de Staatsregeling van 1798 de katholieken van Oijen hun kerk met bijbehorende bezittingen konden terugeisen. Uiteindelijk kwam men er toch wel uit. De protestanten konden in 1810, dankzij een subsidie van koning Lodewijk Napoleon, een nieuw kerkje bouwen aan het Boveneind. Het staat er nog steeds.

Onderwijs
Teeffelen had al omstreeks 1550, op kosten van de kerk, zijn eigen school: een kamer in de woning van de koster, die tevens schoolmeester was. In 1721 werd een apart schooltje aangebouwd. De leerlingen kwamen niet alleen uit het dorp, maar ook uit ’s-Hertogenbosch en Oss. Dat had ongetwijfeld te maken met de ‘status aparte’ van het graafschap Megen: ouders uit de Meierij konden hier hun kinderen katholiek onderwijs laten volgen. Het schooltje heeft bestaan tot 1885, toen meester Willem Dijkhoff een betrekking aanvaardde in Lithoijen en zijn leerlingen meenam.

Henricus van Geffen was conrector van de Latijnse school te Gemert, voordat hij in 1696 pastoor van Teeffelen werd. Tijdens zijn langdurige pastoraat (tot 1726) zette hij zijn onderwijsactiviteiten voort in de pastorie. Er zijn tenminste 17 “Teffelse” gymnasiasten bekend, afkomstig uit de wijde omgeving.

Water en dijken
Omdat Oijen een voor driekwart gesloten dijkring vormde, ligt het voor de hand dat het waterschapsbestuur van De Polder van Oijen hier een belangrijke rol vervulde, zeker zo belangrijk als het ‘gewone’ dorpsbestuur. Gemeente en polder deelden er sinds 1854 zelfs de voordeur.  Het gebouwtje aan de Oijense Bovendijk stond echter bekend als “polderhuis”, waarschijnlijk omdat de polder het grootste gedeelte van de bouwkosten had gedragen. In 1919 werd verhuisd naar het monumentale pand aan de Oijense Bovendijk 2, waar de overleden burgemeester Van Amstel had gewoond. In Oijen mag dan veel gesloopt zijn, het ‘polderhuis’ en het laatste raadhuis hebben in ieder geval de 21e eeuw gehaald.

Bevolkingsontwikkeling
In het begin van de negentiende eeuw telde Oijen 550 inwoners. Dat aantal groeide gedurende de decennia daarna tot 736 in 1850. Daarna trad een stagnatie op: in 1900 werden slechts zeven personen méér geteld. De twintigste eeuw vertoonde een steeds duidelijker groeicurve: van ruim 800 in 1950 via ruim 1970 naar 1.130 in 2008.

Teeffelen was een heel stuk kleiner: in 1850 woonden er 82 personen. Ook hier valt tussen 1850 en 1900 een stagnatie op: van 82 naar 84. Nadien liep de curve omhoog: van 1950 via 245 in 1970 naar 288 in 2008.